Beplanting

BEPLANTING OP HET KERKHOF

Een brede, nog lang niet volgebouwde Voorstraat, waarvan de meeste huizen rieten daken hebben, twee onbebouwde parallel lopende Achterstraten en een groot vierkant grasveld omgeven door een sloot en een straat waaraan wat huizen staan, een aantal nog in aanbouw. Dat is het dorpje Ruigenhil. Achter die huizen een eindeloos lijkende boomloze polder, nog maar pas aan het zoute water ontworsteld. Een paar lidtekens in de grond en een vers gegraven graf laten zien dat het grasveld een kerkhof is. Dat kerkhof is groot genoeg voor een kerk, maar die paar honderd bewoners kunnen zich dat voorlopig niet veroorloven. Wel sterven er mensen in dit natte land waar onverklaarbare koortsen heersen, teveel eigenlijk. Een kerkhof is dus hard nodig. Als de doden onder de groene zoden verdwijnen, blijft alleen nog maar de herinnering. Dat kerkhof wordt op 2 september 1567 gewijd door de suffragaanbisschop (wijbisschop) Robert van Bergen, de broer van wijlen markies Jan IV van Glymes. Ook wijdt hij de nieuwe kerk van Fijnaart in.

In 1570 breekt tijdens de Allerheiligenvloed de Ruigenhilsedijk door. De gehele polder staat onder water, dus ook het dorp. Na de herdijking volgen nog een aantal moeilijke jaren als de Watergeuzen en op hun beurt weer de Spanjaarden het Eiland teisteren. Vooral in 1574 begaan dolgedraaide Waalse soldaten in Spaanse dienst onmenselijke wreedheden, waardoor velen het Eiland van Klundert en de Ruigenhil ontvluchten. De bewoners doen een tevergeefs beroep op de Staten-Generaal om op het Eiland fortificatiewerken aan te leggen. Het lukt pas als zij een verzoek doen aan prins Willem I, die in 1582 het markizaat toebedeeld krijgt.

 

Als in 1583 het dorpje Ruigenhil op last van prins Willem wordt omwald gaat het beter. Men voelt zich binnen die wallen heel wat veiliger. De inpoldering in dat jaar van de Heijningse gorzen draagt bij aan dat veiliger gevoel. De Ruigenhilsedijk is geen zeedijk meer, maar een drogedijk. Nu kan men zich aan andere zaken wijden dan alleen maar aan overleven. In 1589 wordt, terwijl er elders nog volop ruimte is, op het kerkhof een school met onderwijzerswoning gebouwd. Die school ligt rechts van het pad dat dwars door het kerkhof naar de standerdkorenmolen op het bastion Utrecht loopt. Aan de andere zijde van het pad wordt kort daarna nog een particuliere woning gebouwd.

 

De huisarmmeesters, zeg maar de diakenen, zien er in 1589 brood in om het kerkhof te verhuren om te weiden of te hooien. De pachter moet dan wel toestaan dat de schoolmeester een tuintje achter zijn huis mag aanleggen en dat het pad dat rechtdoor van de Voorstraat naar de korenmolen loopt vrij toegankelijk blijft. Ook moet hij een valhek maken met daarnaast een klein poortje of hekske waardoor de kinderen naar school kunnen.

Een belegging voor langere termijn is het planten van bomen. Bomen zijn er niet alleen voor de sier, maar vooral voor het profijt. Van huizen tot handvaten, bijna alles kan van hout gemaakt worden, maar ook is brandhout nodig. Bakkers zijn altijd goede afnemers bij bomenveilingen.

 

Wanneer de eerste bomen op het kerkhof geplant zijn is, door gebrek aan archiefbescheiden, niet bekend. In 1602, wanneer men met de bouw van een kerk op het kerkhof begint, krijgt Herman van der Lip 24 stuiver betaald voor het ‘inreyen’ – wat dat ook mag wezen – van de olmenbomen (iepen) staande op het kerkhof en in 1608 worden kokers geplaatst om de lindebomen. Deze lindebomen staan bij de ingang van de kerk, want in 1610 komt er een verbod om ‘enige as, ruigte of ander vuiligheid’ te storten binnen de lindebomen, maar dit te doen ten noordwesten daarvan naast de school (!). In dat jaar wordt het kerkhof weer verhuurd om te weiden of om te bleken. Als in 1619 vier lindebomen voor het stadhuis worden geplant, worden er ook twee op het kerkhof geplant.

 

Er staan in 1639 al heel wat bomen op het kerkhof, inmiddels groot genoeg om verkocht te worden. De kerkmeesters ontvangen negenhonderd gulden – een fors bedrag in die tijd – voor de verkoop van alle olmen- en essenbomen op het kerkhof. Het jaar daarop worden rondom het kerkhof naast de sloot 405 jonge olmen gepoot à f 8.10.- de honderd. De jaren daarna worden nog meer olmen gekocht, meestal ter vervanging van verdorde exemplaren. Ook op de Kerkring worden olmen gepoot, maar liefst 130 stuks.

Het beweiden van het kerkhof was vóór 1640 gegund aan de kosters als compensatie voor het kleine gewin van het kosterambt, maar dit is nu opgezegd om de nieuwe aanplant niet te beschadigen. Koster Herman van Esch vraagt echter om dit weer te mogen doen, want nu jagen inwoners ‘bij nacht en ontij hun paarden het kerkhof op tot perikel van het beschadigen van het plantsoen’. Hij wil er nu kalveren op laten weiden, die de bomen niet kunnen beschadigen. In de loop der tijd verschijnen er steeds weer verboden om paarden, beesten of varkens op het kerkhof te laten lopen. Gezien de regelmatige herhalingen hebben die verboden weinig resultaat.

 

Er wordt nog steeds as, mest en andere vuiligheid op het kerkhof gestort, nu in een gegraven sloot, die af en toe wordt geleegd. Misschien daarom groeien de bomen er zo goed. In 1669 wordt weer een partij van 62 olmen verkocht met de opdracht voorzichtig te rooien om de andere bomen niet te beschadigen. Ze staan kennelijk dicht op elkaar. Enkele jaren later worden vier keer zoveel bomen verkocht. Tegen het rooien van bomen op het kerkhof rijzen in 1754 bezwaren. Ze dienen immers ‘tot dekking van de kerk tegen de zware winden’. Het zou zelfs dienstig zijn nog eens twee rijen bomen dichter bij de kerk aan te planten. Twee jaar later worden inderdaad twee rijen olmen aangeplant, 66 stuks à 11 stuivers. De jaren daarop worden, steeds als een aantal oude bomen wordt verkocht, weer nieuwe aangeplant.

In 1794, wanneer er opnieuw een Frans beleg dreigt, worden er nieuwe palissaden aangelegd. Hiervoor zijn bomen nodig. De provisioneel kerkmeester Pieter van Oldenborgh stelt voor twintig bomen van het kerkhof aan te bieden als zijnde het meest geschikt hiervoor. Liever zelf doen dan dat het gouvernement dat zou doen en het kerkhof wellicht ontsierd zou worden. Dus niet alleen het profijt maar ook de esthetische waarde van de beplanting telt mee.

De Fransen profiteren van de strenge winter 1794/1795 waarin zelfs de grote rivieren bevriezen en trekken over de Waal naar Utrecht en Amsterdam. Willemstad wordt door de Staten-Generaal gedwongen de Fransen tot de vesting toe te laten. Franse troepen trekken de vesting binnen, waarin al de nodige Staatse troepen gelegerd zijn. Voor de Fransen rest voorlopig alleen nog de kerk. In die aanhoudend strenge winter worden alle bomen op het kerkhof door de Franse troepen gekapt tot verdriet van de kerkmeesters omdat de kerk er geen stuiver aan verdiende. Maar ja, de Fransen hebben er lak aan. Zij hebben immers vuur nodig om zich te warmen en om te koken.

 

De eerste boom die het jaar daarop weer op het kerkhof wordt geplant is een zware stamlinde. Zou dat de linde zijn die links naast de ingang van de kerk staat? Nu is het kerkarchief verre van compleet en als we dus lezen dat in 1822 er 29 notenbomen, drie zware leilinden en twee treurwilgen worden besteld, wil dit niet zeggen dat in de vorige jaren geen bomen zijn aangeplant. In 1835 en 1835 worden 34 espen, 23 notenbomen, 10 perenbomen en 11 wilgen verkocht, maar misschien komen een aantal wel uit de tuin van de pastorie. Een royale beplanting was mogelijk daar tot aan de negentiende eeuw de enigen die zerken konden betalen, zich in de kerk lieten begraven (vandaar de naam ‘rijke stinkerds’). Vanaf de negentiende eeuw geeft het kerkhof een ander beeld: minder bomen, maar gevarieerder, waarbij de opbrengst geen prioriteit meer was. Het begraven in de kerk was afgelo­pen en de aanleg van het ‘gedistingeerde kerkhof’, al gauw in de volksmond de ‘boeren­hoek’ geheten, en het toenemend gebruik van zerken elders op het kerkhof, maakte een ander soort beplanting noodzakelijk. De iepenhaag die al vroeg om het kerkhof was geplant, wordt in 1882 vervangen door een nieuwe. Hiervoor worden 312 ‘eipeveeren’ aangekocht., en in 1886 nog eens 310. Er staan dan ook al een aantal treuressen, die gesnoeid moeten worden. Toen eind jaren tachtig van de vorige eeuw een treures aan de noordwestzijde van het kerkhof door blikseminslag een zware tak verloor en omgezaagd moest worden, bleek deze bij telling van de jaarringen rond de honderdvijftig jaar te zijn. De treures in de noordwesthoek is van dezelfde omvang en waarschijnlijk dus even oud. Die tegenover het Molenpad is zelfs nog dikker. Ook in 1882 wordt een stam bruine beuk gekocht bij P.van Tol Mz te Boskoop.Het is de eerste keer dat er sprake is van een beuk. Misschien wel de beuk bij het bruggetje die er misschien uit moet of mag blijven staan? We zullen het alleen weten als ‘de beuk eruit gaat’, dan kunnen de jaarringen geteld worden. Verhalen dat die beuk wel drie- of vierhonderd jaar zou zijn, kunnen we na het voorgaande wel vergeten. Het jaar daarop wordt weer een stam bruine beuk gekocht, nu voor f 3,- dus wat kleiner dan de vorige die f 3,50 kostte.

In Boskoop worden bij P. van Tol in 1884 een lage geleide witte Cozijn, een idem Bergamot, een idem Callebospeer, een idem witte Callevien gekocht, waarschijnlijk  voor de pastorietuin.

 

Het kerkhof wordt in 1901 wat opgehoogd met 40 m3 grindzand en 43 m3 plaatzand. Hierover komt een laag peegrond (afkomstig van de suikerfabrieken), dat met hooizaad wordt ingezaaid, want het gras gaat weer verpacht worden.In 1902 worden bij de gebr. Heerma van Voss te Roosendaal een treures à f 1,- en vijf bruine beuken à f 0,80 gekocht. Zij worden in één pak per trein naar Dordrecht vervoerd, vanwaar de bomen per schip naar Willemstad gaan.

M.P.A. van der Zanden van bloemisterij en boomkwekerij “Kweeklust” in Klundert heeft lange tijd het onderhoud van de beplantingen op het kerkhof en de tuin van de pastorie en Bethel gehad.

 

Daar koopt de kerkenraad in 1903: 62 Thuja’s occ. (Westerse levensboom) a f 0,90; 30 Cham plum aurea f 0,90; 30 Cham squarrosa Veitschi a f 0,90 (Cham = Chamaecyparis, een cipres); 1 Tilia argenea pendula (treurlinde) a f 2,50; 1 Fagus sylv. atropurp pendula (bruine treurbeuk) a f 2,50 ; 3 Hedera gutteta (klimop) a f 0,60. Een paar jaar later volgen weer 27 Thuja’s, 2 Hulsten en 4 Laurus cerasus (Laurier). De klimop wordt tegen de toren geplant, zoals op oude foto’s nog te zien is. De hulst en laurier komen langs het kerkpad te staan. Hulstbomen en -struiken staan nog steeds langs het pad naar de kerk en dat naar de consistorie. Van de lauriers resten nog een oude boom naast het kerkhek en wat stompen.

 

Daarna wordt het kerkarchief steeds spaarzamer en er ontbreken zelfs een aantal jaren. Wel vinden we nog een rekening van T. Herwig die in 1927 een aantal gaten in de bomen met cement vulde en van P. Oostenrijk die in 1933 drie bogen in de bomen maakte..De twee stamlinden achter de kerk zijn pas in de jaren zestig geplant. In Sappemeer bouwde in 1653 de architect Coenraet Roelofs een achtkante koepelkerk, die hiertoe eerst de Willemstadse kerk bezocht. Het vierkante kerkhof daaromheen ademt vandaag nog de sfeer die het Willemstadse kerkhof vroeger gehad moet hebben. Treuressen bij de ingang en het kerkhof omzoomd door twee rijen eikenbomen (hier waren dat dus iepen) en een beukenhaag (hier iepenhaag). Kennelijk heeft Roelofs destijds ook het kerkhof naar model van het Willemstadse aangelegd. Bomen kunnen ouder worden dan mensen. Misschien misgunnen we hen dat wel, want weinige krijgen de kans ook echt oud te worden en komt vroegtijdig de motorzaag er aan te pas. Laten we dus zuinig zijn op de weinige oude bomen zoals die op het kerkhof.

Bron : Kees van Mastrigt