Het gebouw

EEN KORTE GESCHIEDENIS VAN DE WILLEMSTADSE KOEPELKERK

Als in 1565 begonnen wordt met de aanleg van een dorpje in de pas bedijkte polder Ruigenhil, wordt al rekening gehouden met de bouw van een kerk. De plattegrond van het dorpje is simpel. Een brede Voorstraat die haaks op de dijk staat, twee parallelle achterstraten en aan het eind van de Voorstraat een vierkant kerkhof met een straat daaromheen. Dat kerkhof is groot genoeg voor de bouw van een kerk, maar daarvoor ontbreekt nog het geld. Het dorpsplan is een beproefd plan. Al honderd jaar geleden werden er op het eiland Flakkee dorpen gebouwd naar dit model. Alleen was daar het kerkhof min of meer rond, daar de kerk vanouds op een stelle, een soort terp, lag.

De nieuwe dorpelingen vragen de Markies van Bergen op Zoom al snel om een vaste priester. Het duurt echter tot 20 mei 1566 voordat bericht ontvangen wordt dat Marten de Moor, tot dan pastoor van Vlake in Zeeland, bereid is de zielzorg in de Ruigenhil op zich te nemen. Hij vestigt zich hier overigens pas in de loop van 1570.De H. Mis wordt aanvankelijk opgedragen in het huis van de vorster, een soort gerechtsdienaar. De voorkamer van dit huis aan de Ring van het kerkhof dient in de week als gelagkamer en het achterhuis als gevangenisruimte. Geen ideale plaats, maar in maart 1569 wordt het leegstaande huis, dat de Fijnaartse pastoor aan het kerkhof had laten bouwen, gehuurd.

In 1571 houden de Watergeuzen een plundertocht op het Eiland van Klundert en de Ruigenhil, verdrijven de pastoor en het jaar daarop bezetten zij het Eiland. Zij worden weer verjaagd en de komende jaren zijn afwisselend de Watergeuzen en de Spanjaarden hier de baas. De Reformatie heeft in de dorpen van Brabants Westhoek al een aantal aanhangers en als de Watergeuzen het Eiland definitief onder Oranje brengen, nemen zij snel in aantal toe zodat de dorpen overwegend protestant worden. Op 12 augustus 1586 stelt graaf Maurits van Nassau (de titel Prins van Oranje verwerft hij pas later), heer van Willemstad, een subsidie van zeshonderd gulden in het vooruitzicht voor de bouw van een kerk.

De magistraat wil echter eerst een stadhuis bouwen, waarvoor toestemming wordt verleend, mits die in afwachting van de bouw van een echte kerk ook voor godsdienstoefeningen gebruikt zal worden. Het eenvoudige stadhuis dat in 1587/88 wordt gebouwd – de fraaie gevel dateert van later – lijkt met zijn torentje wel wat op een kerkje. In de ‘grote’ zaal is een echte preekstoel aangebracht en er wordt een aparte kleine luidklok aangeschaft.

Het ontwerp

Maurits, die een bedrag van 4000 carolus gulden toekent voor de bouw van een kerk, een bedrag dat later verhoogd wordt tot 7000 gulden, heeft hierbij wel de wens geuit dat die kerk in een ronde of achthoekige vorm gebouwd zal worden. Deze voor Nederland afwijkende vorm is geheel anders dan de traditionele kruisvorm der katholieke kerken. Dat is mogelijk omdat bij een protestantse dienst niet het altaar maar de kansel centraal staat. Bovendien zijn er noch kapellen, noch een koor nodig.  Op verzoek van Jasper van Kinschot, de tresorier van prins Maurits, en enkele magistraatsleden maakt de Willemstadse mr. metselaar Andries de Rooij (ook wel de Roy) in 1590 een ontwerp voor een kerk met een begroting van de kosten.  De volgende die opdracht krijgt een ontwerp in te dienen is de Middelburgse mr. timmerman Adriaan de Muyr . Dat is op 2 augustus 1594 en al op 25 september brengt een schipper een nauwkeurig afgewerkt houten model van een achtkante kerk. De naam van De Muyr komt verder niet meer voor en het model wordt in de stadhuistoren opgeslagen.   In oktober onderhandelt de magistraat met Coenraet van Norenburch, mr.teenhouwer te Dordrecht voor het leveren van harde blauwe steen, dat aangenomen wordt voor 5800 gulden. Op 11 juli van het jaar daarop wordt door hem een tweede model afgeleverd. De ‘tempel’ is nu wijder gemaakt dan het eerste model en op verzoek van de magistraat heeft hij er ook een toren aan toegevoegd, waardoor de aannemingssom van het hardsteen met 1933 gulden is verhoogd. Ook dit model wordt ‘ter bewaernisse’ in de toren gebracht.Het is kennelijk nog niet helemaal naar de zin van de opdrachtgevers en opnieuw wordt bij Andries de Rooij, die in 1596 militair ingenieur is geworden, een ontwerp besteld. De vraag wie van de drie nu de eigenlijke architect van de kerk is, kan niet beantwoord worden. Waarschijnlijk heeft De Rooij, die het eerste en laatste ontwerp maakte, de vorm bepaald, timmerman De Muyr het houten tentdak en Van Norenburch de hardstenen ramen en het portaal.

De bouw

In oktober 1596 wordt het terrein van de kerk op het kerkhof uitgezet en een bodemonderzoek gedaan. De eerste aanbesteding wordt op 17 november 1596 in Den Haag gehouden en voor f 7500 gegund aan mr. Coenraet van Norenburch, steenhouwer te Dordrecht, Cornelis Verhoeven, metselaar te Rotterdam en Jan Jansz Orguel, steenhouwer te Delft. Voor de stad tekent tresorier Van Kinschot en met hem Andries de Rooij. Deze datum wordt meestal aangehouden als begindatum van de bouw, maar zover was men nog lang niet.  Eerst op 12 oktober 1601 zijn op het kerkhof enkele activiteiten te zien. Er wordt een zogenaamde kalktuin gemaakt, een met hout beklede gegraven put, waarin tien dagen later honderd hoed maaskalk uit Delft wordt gestort.

Om een goede kalkspecie te krijgen moet de specie namelijk enige tijd ‘in de rot leggen’. In februari 1602 begint pas de echte bouw. De eerste masten voor de stellingen komen aan en de eerste rode Leidse bakstenen worden aangevoerd en op het kerkhof opgestapeld. Cornelis Verhoeven kan nu zijn mannen aan de slag laten gaan en Van Norenburch stuurt zijn steenhouwers om de natuursteen te bewerken.Op 28 april 1603 wordt de Delftse meester timmerman Adriaen Diericx ontboden om een bestek van de kap te maken en op 24 februari 1604 wordt het resterende metselwerk aan de kerk en toren besteed. Ook dit wordt gegund aan Cornelis Verhoeven.

De onvoltooide toren

 Op 13 maart 1605 krijgt Cornelis Verhoeven van de magistraat te horen dat hij het werk aan de toren, dat dan tot vier voet onder de galmgaten is gevorderd, moet stoppen. De reden van het niet voltooien van de toren wordt echter niet genoemd. Verhoeven voelt zich niet verantwoordelijk voor “enige zwarichheyt van des gronts wegen” waarvoor hij genoeg gewaarschuwd had en wil schadevergoeding voor reeds gemaakte kosten. Met ‘gront’ kan de bodem bedoeld zijn, maar men had van tevoren grondboringen gedaan en de bodem in orde bevonden. ‘Gront’ betekent echter niet alleen bodem, maar ook fundament, grondslag (beginsel, uitgangspunt) of grond- en bestektekening. Verhoeven kan dus andere moeilijkheden dan met de grond (bodem) bedoeld hebben.

Geldgebrek kan ook niet de oorzaak geweest zijn. De voltooiing van de toren werd geschat op duizend gulden. Als men daarvan aftrekt de schadevergoeding die Verhoeven terecht kon eisen (aangekochte stenen e.d.) dan is dit geen bedrag waarvoor men de bouw van een graag gewenste toren stopt. De aanschaf van een uurwerk met wijzerplaten of een nieuwe preekstoel (f 700) zou dan beter uitgesteld kunnen worden.Een achtkante kerk moet voor de magistraat een staaltje van moderne vormgeving geweest zijn, waarmee zij aanvankelijk moeite heeft gehad. Vandaar de opdracht aan Van Norenburch om er een toren bij te ontwerpen. Nu zich een visueel beeld van de kerk in opbouw begint te vormen, zullen de heren van de magistraat hebben ingezien dat een toren achter de kerk niet bij deze kerk en op deze locatie past.

Het zou een kerk geworden zijn die zich van de stad afwendde in plaats van het spirituele middelpunt ervan te zijn.   Nu de toren niet afgebouwd wordt, zal er een klokkentorentje op het dak van de kerk moeten komen en een dak op de onvoltooide toren. De Willemstadse metselaar Thomas Baerents krijgt de opdracht om twee ‘gronden’ (tekeningen) hiervoor te maken en een beraming van de kosten.In de zomer van 1605 wordt de kap op de kerk geplaatst en op 21 augustus 1607 worden de preekstoel en banken uit het stadhuis naar de nieuwe kerk gebracht, die kort daarop in gebruik is genomen.  Aan de zuidoostzijde wordt in 1657 een houten consistorie gebouwd uit het legaat van Theuntje Penningsbrood voornamelijk bedoeld voor de armbedeling, in 1694 vervangen door een stenen gebouwtje. Prins Willem V schenkt in 1773 een orgel, dat wordt betaalt uit de Willemstadse belastinggelden die hem toekomen.

Oorlogsschade en restauratie

 De in 1789/1790 gerestaureerde kerk wordt tijdens het beleg van 1793 door de beschietingen van de Fransen zwaar beschadigd. Ook in november 1944 lijdt de kerk zware oorlogsschade. In 1950, daags voordat de net herstelde kerk weer in gebruik zal worden genomen, breekt er bij loodgieterswerkzaamheden brand uit. Van het gebouw blijven slechts de muren overeind staan. De kerk wordt in dezelfde trant opgebouwd.

Ter vervanging van de verbrande inventaris weet men een preekstoel uit 1659 afkomstig uit de Hervormde kerk te Hoogvliet en enkele banken uit omstreeks 1670 uit de nu afgebroken Hervormde kerk van Graft te verkrijgen. De door de val beschadigde grote luidklok, in 1605 gegoten door Cornelis Ammeroy te Amsterdam, wordt hergoten. De kleine klok uit 1588, gegoten door Thomas Both in Utrecht, komt na de brand niet meer in de kerk te hangen, maar hangt nu op een klokkenstoel in de hal van het Mauritshuis.

In 1996/97 ondergaat de Koepelkerk weer een grondige restauratie. Een kerkgebouw is nooit af. Oorlog, brand en natuurgeweld brachten schade of vernieling. Steeds weer verandering, onderhoud, vernieuwing of aanpassing en steeds weer geldtekort om het behoorlijk te doen (hardsteen werd bijvoorbeeld vervangen door hout). Vier eeuwen lang siert de kerk ons stadje en dient het de protestantse gemeente tot preekkerk. Een gebouw om heel erg zuinig op te zijn.